Naieve kunst

Uit de romantische volkskunst in Frankrijk, midden de XIXde eeuw, groeide de Naïeve Kunst. Meestal bleven de autodidactische amateurs anoniem, al haalden oa. de Prenten van Épinal wel bekendheid. Het waren essayïsten als Alfred Jary, Guillaume Apollinaire, Paul Guillaume of Abroise Vollard die de aandacht wekten voor het werk van enkele opvallende kunstschilders.

Toch moest men wachten op de stichting van het Salon des peintres indépendants, in 1885, om le Douanier Henri Rousseau met glans uit het anonymaat te zien treden.

De grote revelatie kwam er te Parijs, in 1937, op de eerste grote expositie van Les maîtres populaires de la réalité. Naast Rousseau viel werk op van Louis Vivin, Camille Bombois, André Bauchant, Maurice Utrillo, Dominique-Paul Peyronnet, Séraphine de Senlis, Jean Eve, René Rimbert en Adolf Dietrich.

Niet te ontwarren discussies ontstonden na de tentoonstelling. Men noemde ze Les maîtres omwille van de hoge technische kwaliteit van de werken, populaires om hun bescheiden oorsprong, hun simpele ideeën en hun weinig gecompliceerde gevoelens, de la réalité om de verwarring aan te tonen tussen het reële en het bevattelijke. Termen als zondagschilders, moderne primitieven, naïeve schilders, instinctieve schilders of autididactische schilders waren aan de orde.

eXTReMe Tracker