Rubens

Iederéén houdt van Matisse

Het ’Thyssen’ in Madrid toont ruim 80 werken van Matisse. Zeer de moeite waard, al is de tentoonstelling enigszins voorspelbaar. Een chemische fabriek in Roemenië? Een booming telecombedrijf in Zuid-Afrika? Mis. Het Thyssen-Bornemisza was een van de grootste privé-kunstcollecties ter wereld, van een Zwitserse staalmagnaat en hartstochtelijk verzamelaar. Nu is het al jaren een zelfstandig museum in Madrid. Met een prachtige collectie en een behoorlijk Calimero-complex. Dat proberen zij met hun nieuwe tentoonstelling over Matisse af te schudden.

Het museum ligt aan de Paseo del Prado, en die straatnaam geeft precies de hiërarchie aan die in de Madrileense culturele scenegeldt. Het Prado, dat is de maatstaf. Daar gaat iederéén heen. Voor Velásquez, El Greco, Goya. Als er tijd over is, ga je naar het Reina Sofía. Daar hangt de Guérnica van Picasso, en die moet je natuurlijk ook gezien hebben als je Madrid aandoet. En passant kun je je dan verbazen over de rest van de collectie, die met topwerken van Gris, Picasso, Miró, Dalí en vele anderen beslist niet mager is.

Het Thyssen-Bornemisza mist misschien een absoluut topstuk: een Mona Lisa of Nachtwacht, een schilderij dat bezoekers van heinde en ver trekt. Maar het heeft van zo’n beetje elke kunstenaar die ertoe doet wel een werk, en vaak van zeer hoge kwaliteit. Van Eyck, Ghirlandaio, Titiaan, Caravaggio, Rubens, Fragonard, Van Gogh, Cézanne, Mondriaan, Ensor, Rauschenberg, Hopper. Je kunt in het museum de hele kunstgeschiedenis zien langskomen.

„Het Prado blijft onze vijand”, zegt publiciteitsmedewerker van het Thyssen José María Goicoechea lachend. „We zouden misschien bondgenoten moeten zijn. Maar dat zijn we niet, en we zullen het waarschijnlijk ook nooit worden.” Het is logisch maar jammer.

Het Thyssen-Bornemisza, ontstaan vanuit familiebezit, is weer een heel ander type museum. En de geschiedenis van deze collectie is opmerkelijk genoeg. De Zwitserse ijzer- en staalindustrieel August Thyssen vergaarde het eerste familiekapitaal en vatte een diepe liefde op voor met name beeldhouwkunst. Hij correspondeerde onder anderen met Auguste Rodin en kocht een aantal van zijn werken. Zijn zoon Heinrich (1875-1947) trouwde met de Roemeense barones Bornemisza. Na de Eerste Wereldoorlog en na de dood van zijn vader in 1926 bouwde hij de collectie uit met onder meer Duitse primitieven: Dürer, Cranach, Holbein. Maar ook met Vlaamse, Italiaanse, Franse, Engelse en Hollandse meesters.

In de jaren dertig verhuisde de familie mét de collectie naar Zwitserland, het enige land in Europa dat nog veilig leek te zijn. In Villa Favorita, aan het meer van Lugano, werd de collectie voor het eerst publiek toegankelijk gemaakt. Het begin van de Tweede Wereldoorlog maakte daar voorlopig een einde aan.

Toen Heinrich in 1947 stierf, bevatte de collectie 525 werken – meer dan de villa kon bergen. Alles werd verdeeld onder de erfgenamen, en de verzameling dreigde geheel uiteen te vallen. Een van de zoons, Hans Heinrich, pas 26 jaar oud, deed zijn uiterste best het familiebedrijf voort te zetten en de verzameling weer bij elkaar te krijgen. Dat lukte hem gedeeltelijk. Later bouwde hij de collectie uit, onder meer met Russische avant-gardisten (Kandinski en Klee), Duitse expressionisten (Kirchner, Nolde) en naoorlogse Engelse schilders (Freud, Bacon).

Villa Favorita wás al te klein, en dat ruimtegebrek werd alleen maar prangender naarmate de collectie groeide. De Spaanse overheid toonde al snel belangstelling en kreeg een aantal schilderijen in bruikleen. In 1992 bood zij een geheel gerestaureerd paleis aan als verblijfplaats voor de collectie. De inmiddels ruim 800 schilderijen reisden naar Madrid. Aanvankelijk was er sprake van langdurige bruikleen, maar een aantal maanden later kocht de Spaanse overheid de hele collectie, voor ongeveer 250 miljoen euro.

„Het was natuurlijk een schijntje”, zegt Goicoechea. „De schilderijen waren veel meer waard. Maar waarschijnlijk was het op dat moment een goede mogelijkheid om de collectie onder te brengen en bij elkaar te houden.” Je moet kunstwerken nu eenmaal verzekeren, ze van tijd tot tijd restaureren. Die lasten heeft het museum overgenomen. Bovendien zou de verzameling op deze manier permanent openstaan voor publiek.

Grote concurrent bij de overname was Engeland. In de Thyssen-collectie zit onder meer het beroemde portret van van Henry VIII van Hans Holbein, uit 1635. Het schilderij is kunsthistorisch heel interessant; het portret is tegelijkertijd voor Engeland een icoon van een belangrijk staatsman. Maar barones Carmen Thyssen-Bornemisza, zelf Spaans, had een voorkeur voor Spanje. Haar verzameling, die intussen ruim 600 werken bevat en nog steeds groeit, vormt een aparte afdeling van het museum. Zij zelf oefent als medebestuurder nog steeds invloed uit.

Het ’Thyssen’ probeert intussen het gebrek aan focus te ondervangen en massaal publiek te trekken door grote tentoonstellingen te organiseren. Daar slagen ze de laatste jaren aardig in met Miró en Van Gogh. Nu tonen ze ruim tachtig werken uit vijftig musea van de Franse grootmeester Matisse (1869-1954), uit wat het museum noemt de ’middelste periode’ in zijn werk (1917-1941).

Gek genoeg leek Matisse in deze periode minder experimenteel dan in zijn eerdere werk. Juist aan het begin van de twintigste eeuw maakte hij beroemde werken als ’De dans’, perspectiefloos en met grote kleurvlakken die scherp tegen elkaar aanliggen. De Russische revolutie en de Eerste Wereldoorlog maakten dat hij zijn belangrijkste Russische klanten kwijtraakte en voorlopig ophield met grote doeken en muurschilderingen maken. Hij verhuisde in 1917 naar Nice en ging kleinere schilderijen maken. De invloed van Cézanne, maar ook van bijvoorbeeld Manet, is onmiskenbaar.

Veel van de werken hebben de overgang van interieur naar exterieur tot onderwerp: balkons en ramen. Veel ramen, waar vrouwen voor zitten en naar binnen of juist naar buiten staren. Altijd vrouwen; een man zul je in de werken van Matisse zelden aantreffen. Lachen doen ze ook vrijwel nooit. Het paradoxale resultaat bestaat uit schilderijen met heldere en ’vrolijke’ kleuren, die toch een grote triestheid uitstralen.

Er zijn ook veel naakte vrouwen – ’odalisques’ zoals ze zo mooi heten – met oosterse kleding en motieven, ook weer die heldere, felle kleuren en sombere gezichten en houding.

’Matisse 1917-1941’ toont schitterend werk. Tegelijkertijd blijven de keuzes van de tentoonstellingsmakers wat op de vlakte. Matisse is geen schilder die snel controverse oproept. Iederéén houdt van Matisse. Nu houdt ook iedereen van Van Gogh. Maar het is bij Matisse toch moeilijker voor te stellen waarom hij in zijn eigen tijd wél weerstand opriep. En dat deed hij zeker, al was zijn eerdere werk abstracter en schilderkunstig gezien spannender dan het werk dat hier te zien is.

Met deze tentoonstelling, waaraan drie jaar is gewerkt, heeft museum Thyssen waarschijnlijk de blockbuster gemaakt die honderdduizenden mensen gaat trekken. En dat zou volledig terecht zijn. Hopelijk werpen die bezoekers ook een blik op de rest van de collectie. Want de dikke rijen voor de kassa staan er alléén voor Matisse. In de zalen met vijftiende-eeuwse Italiaanse kunst of negentiende-eeuwse Engelse blijft het akelig rustig.

eXTReMe Tracker